IkMijn jeugd stond in het teken van voetbalplaatjes. Voetbalplaatjes zaten verpakt bij Monty kauwgom. Slechte kauwgom, waar de smaak binnen een paar minuten van verdwenen was en die een harde klant werd in je mond. Roze, dunne plak met een beetje wit poeder erop, anders was het al uitgedroogd voordat je het in je mond had gestopt.


Maar die kauwgom was onbelangrijk. De plaatjes, daar ging het om. Ze waren een kostbaar bezit, een ruilobject waarvan de waarde van week tot week enorm kon fluctueren. En ten slotte waren het bij Rob en mij geen plaatjes zelf meer, maar waren zij zelf voetballers geworden. We hadden niet genoeg aan foto’s of tekeningen van De Munck of Bart Carlier, van Fortuna ’54 of van Feijenoord. Onze voetballers werden de helden van een compleet voetbaluniversum.
Laten we het verhaal overslaan van twee jongetjes die plaatjes sparen – dat doet immers iedere jongen. Laten we beginnen bij de cartoons die Dik Bruynesteyn tekende en die bij Monty werden verkocht.
Dik koos de beste vier spelers uit van de achttien clubs die in 1956-’57 in de eredivisie speelden. Van elke club ontstond zodoende een kwartet. Wij kwartetten daar nooit mee, wij maakten er elftallen van. Of ze werden opgesteld of niet, hing vooral af van de manier waarop ‘Dik’ ze had getekend. Wij wisten niet hoe De Munck, Notermans en Appel in het echt speelden. We moesten ons verlaten op de radioverslagen en op foto’s en knipsels in de krant.
Met de plaatjes van Dik konden we uiteindelijk geen genoegen nemen. Onze fantasie nam een hogere vlucht. We gingen onze eigen voetbalplaatjes tekenen. In het begin deden we dat in de stijl van Dik Bruynesteyn. Later werden de plaatjes steeds surrealistischer en hadden ze nog maar weinig met voetballers van doen, al tekenden we er soms voor de zekerheid een voetbal bij.
Net zoals we eerder zelf soldaatjes met de figuurzaag hadden gemaakt die hun eigen ziel en persoonlijkheid kregen, maakten we nu complete elftallen van de door ons gecreëerde spelers. We selecteerden de beste voor de beste clubs. Een speler die een schot op doel loste, was een aanvaller, het liefst een middenvoor. Een speler die, al dan niet met de boel aan de voet een sprintje trok à la Coen Moulijn, werd een links- of rechtsbuiten, al naar gelang van de richting die hij opliep.
We tekenden en tekenden maar door. Ze speelden in clubs waarvan we de shirts ontwierpen. We hadden zoveel voetballers dat we ze in een hoofdklasse en lagere klassen konden indelen.
Ondertussen kwam ze ook tegen elkaar uit in een competitie. Ik bestudeerde de lijsten met uitslagen in De Zaanlander en De Typhoon en kwam erachter hoe de KNVB roosters maakte hoe de clubs tegen elkaar speelden in een bepaald ritme. De eerste helft van het seizoen uit, de tweede helft thuis. We gaven de spelers cijfers en die bij elkaar opgeteld gaf de sterkte van een club aan.
Hun onderlinge wedstrijden werden beslecht op Robs voetbalbak. Een formidabel, stevig ding dat we bij hem thuis in de achterkamer neerzetten. Er werd gespeeld met een massief houten bal. Een pingpongbal leek meer geschikt, maar knalde door ons harde schieten voortdurend de bak uit.
Voor elke wedstrijd spreidden we de complete elftallen uit op een zijtafeltje. Het kwam er namelijk op aan wie de doelpunten maakte. Bij elk doelpunt werd vastgesteld wie van de houten spelers in de bak het had gemaakt. Op de corresponderende speler van het echte elftal werd een munt of een knoop gelegd. Na de wedstrijd werd alles geadministreerd: uitslag, doelpuntenmaker. Eigen inzetten deden we niet aan, die werden toegekend aan de directe tegenstander van de ongelukkige.
Maar alles was begonnen met Dik Bruynesteyn. Ik zag hem later op tv, in sportprogramma's waaraan hij meewerkte. Hij tekende in zijn bekende slordige stijl in razend tempo karikaturen en spelsituaties bij wedstrijden in ‘Sport in beeld’ en later bij andere programma‘s. Voor kranten ging hij de strip ‘Appie Happie’ tekenen, die ik een beetje flauw vond maar die heel populair was.
In 1982 maakte ik kennis met Dik. Ik werkte destijds bij uitgeverij Oberon in Haarlem bij het stripweekblad Eppo. Als spin-off daarvan lanceerden we een voetbalmaandblad, onder de naam ‘Sjakie’, naar de populaire stripboeken ‘Sjakie en de wondersloffen’. Ik wist niet veel van voetballen. Mijn kennis dateerde nog zo’n beetje uit de tijd van de Monty-kauwgom. Maar Appie Happie kende ik wel en het leek me een aardige strip en een Hollands accent voor een voetbalblad, dat voor het overgrote deel gevuld was met uit het buitenland gekocht materiaal. Dick Bruijnesteijn - al ver voordat Feyenoord dat had gedaan, had hij de ‘ij’s’ in zijn achternaam vervangen door ‘y’s’ - zat in de rolodex van hoofdredacteur Jaap Bubenik. Zo nodigden wij hem uit voor een gesprek.

(Wordt vervolgd)

  • Geen reacties gevonden

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0 / 1000 Beperking van tekens
Je tekst moet minder dan 1000 tekens bevatten
Your comments are subject to administrator's moderation.

Copyright © 2015-2017 Martin Rep | Bussum | Contact