simon italia1997Reizen met mijn broer Simon, aflevering 3 en laatst: naar Portugal.

Simon had de tent achterop zijn fiets, en in de fietstas de blikken trommel met de Primus Optimus. Via de Communicatieweg, langs de Watertoren, de indrukwekkende katholieke kerk van Assendelft en de boerderij in Heemskerk waarop met dakpannen de tekst ‘Weltevreden’ was weergegeven, reden we naar tentenkamp Bakkum.

Dat was 1955. Mijn eerste reis samen met mijn grote broer, mijn schipper naast God, die zelf inmiddels zo zijn eigen gedachten had over God, maar daar moest ik zelf maar achter zien te komen. Bijna een halve eeuw later, in 2002 maar het kan ook 2001 geweest zijn, was de laatste reis die Simon en ik met z’n tweetjes maakten. 

Vader Tinus Rep was al tien jaar geleden overleden. We waren geen kinderen meer, onze eigen kinderen waren zelfs al uitgevlogen. We waren een oude uroloog en ’n oude journalist geworden. We hadden vakanties met zijn vieren doorgebracht: Simon en Joke, Dicky en ik. Het zou niet lang meer duren voordat we beiden grootvader zouden zijn. 

De jaren hadden veel met ons gedaan. We hadden veel geleerd, carrière gemaakt en ook een paar domme dingen gedaan. Wat nooit was veranderd in die kleine halve eeuw: Simon was de oudste en ik de jongste. Hij had het voor het zeggen. Dus toen hij me voorstelde samen een weekje in zijn tweede huis in Portugal door te brengen, zei ik meteen ‘ja’.

 

Zo gingen wij beiden te zamen. Met hoge snelheid over de Franse autoroute. Even op de turbo z’n staart trappen als de auto’s voor ons niet snel genoeg reden, en dus ook om de paar uur tanken. Door Les Landes, de Pyreneeën, Baskenland. Twee dagen deden we over de rit, die ik een jaar later met Dicky in drie dagen zou doen, en toen moesten we nog flink doorrijden ook in onze Fiat Stilo.

En na die snelle tocht de rust en de stilte van het Portugese dorp. Leven op wandelsnelheid. Ik liep ’s morgens om zeven uur het appartement uit om vers brood te halen bij de dorpsbakker, waar ik na mijn pogingen in het Frans en Italiaans de begeerde stokbroden en verse puntbroodjes toch maar aanwees. Een tochtje naar het strand. Een fles port halen in de dorpswinkel; Portugezen beschouwen port als de lekkerste wijn ter wereld, waar wel wat op af te dingen valt.

En: praten. Vooral veel praten. Hoe hij elke dag vier keer het hele stuk van ons huis aan de Vioolstraat in Koog naar de christelijke lagere school aan de Stationsstraat en terug holde, niemand die zo hard kon lopen als hij. Hoe hij met Piet Kruiver, die later bij KFC, PSV en Feyenoord zou gaan spelen, in de straat had gevoetbald. 

Over zijn favoriete leraren van het gymnasium; hij mocht graag bij de geschiedenisleraar thuiskomen, een vrijgezel; bezoekjes waar men tegenwoordig de wenkbrauwen bij zou fronsen maar die gewoon heel gezellig waren en waar nooit iets onordentelijks is gebeurd. Hij vertelde hoe hij met Gerrie van Dongen, die ik alleen kende als stopperspil bij ZCFC en later als redacteur economie bij De Typhoon, vanuit Koog naar het Zaanlands Lyceum fietste.

simon beatlesmus 

We kletsten over onze jonggestorven moeder, die hij twee keer zo lang heeft meegemaakt als ik. Als medicus kon hij me uitleggen wat er fout was gegaan bij haar behandeling in het Sint Jan Ziekenhuis, honderd meter voorbij de Ds. Lindeboomschool waar ik strafwerk zat te maken op het moment dat zij de laatste adem uitblies.

Ik vertelde hem over mijn werk als redacteur van de schoolkrant van het lyceum en over de gekke dingen die ik daar had uitgehaald. Over mijn verliefdheden en vriendinnetjes; we waren thuis geen meisjes gewend en vonden het maar moeilijk met hen om te gaan. We haalden niet alleen herinneringen op, we praatten ook over onze kinderen, over leven en dood. Op die reis waren we een week lang niet grote broer en kleine broer, we waren gewoon broers geworden.

Naar de kerk in Nederland gingen we al lang niet meer, Maar samen liepen we op zondag naar het  oude kerkje in het centrum van Caminha om naar het zingen en de pastoor te luisteren. “Altijd goed opletten wanneer tijdens de dienst de mensen zich opeens naar je toe draaien en ‘paz’, vrede, zeggen”, waarschuwde Simon. 

Die reis is een prachtig geschenk van Simon geweest. Twintig jaar later, toen hij bijna dood was en in een hospice was opgenomen, was het een van de herinneringen waar we toen over spraken. Simon was zo ziek geworden, zo breekbaar, dat ik nu hem begroette met ‘broertje’, een koosnaam waarom hij moest lachen. 

We moesten hem dragen toen hij in zijn bed wilde, hij woog haast niets meer. Ik moest denken aan een song van The Hollies, over een lange reis en een lichte broer. Hij kende het niet.

 

The road is long
With many a winding turn
That leads us to who knows where?
Who knows where?

But I'm strong
Strong enough to carry him
He ain't heavy, he's my brother

So on we go
His welfare is my concern
No burden is he to bear
We'll get there
For I know
He would not encumber me
He ain't heavy, he's my brother

It's a long, long road
From which there is no return
While we're on the way to there
Why not share?
And the load
Doesn't weigh me down at all
He ain't heavy, he's my brother 

He's my brother
He ain't heavy, he's my brother 

 

Het was ons afscheid.

 

Copyright © 2015-2022 Martin Rep | Radboudlaan 14 | 1402 XP  Bussum | Contact