banjoebiroe sanitairTijdens een feestelijke bijeenkomst in Alphen aan den Rijn is vorige week mijn nieuwe boek, Stijfselpap en nasi goreng, feestelijk gepresenteerd. In dat boek beschrijf ik de geschiedenis van Eric van den Berg (geboren in 1936), die zijn jeugd grotendeels doorbracht in ‘Jappenkampen’ op Java, samen met zijn moeder Roelofje en zijn jongere broer Frank. Eric is de schoonvader van mijn oudste dochter, Barbara. In deze voorpublicatie het hoofdstuk ‘Appel’, waarin Eric en Frank in de brandende zon moeten staan maar toch hun lachen nauwelijks kunnen inhouden.

ericenkovdberg

Het was op het heetst van de dag, en het kon heet zijn in Lampersari. De gemiddelde temperatuur is er 32 à 33 graden, maar uitschieters naar boven zijn geen zeldzaamheid. De lucht zinderde terwijl Eric en Frank en hun vriendjes probeerden zo veel mogelijk in de schaduw te blijven. Vriendjes genoeg hier, en vooral van hun eigen leeftijd. Jongens die ouder waren dan negen jaar waren er niet; zodra ze die leeftijd bereikt hadden, moesten ze naar het mannenkamp. Dan moest je maar afwachten in welk kamp je terecht kwam, het kon wel een heel eind uit de buurt zijn, een heel eind bij je moeder vandaan. Voor vandaag zat de school er weer op. Op hun leitjes hadden de kinderen in Erics klasje sommen moeten maken. Eerder die dag was er schrijfles geweest. Hij klemde de griffel tussen zijn vingers en met de tong tussen zijn lippen probeerde hij zo mooi mogelijk de letters die de zusters op het eenvoudige schoolbord schreven, na te maken en te verbinden met dezelfde neerhalen en ophalen.

Papier om op te schrijven? Eric wist nauwelijks wat het was. De nonnetjes hadden lesmateriaal, maar hun laatste voorraadje schrijfpapier was lang geleden opgemaakt. Het enige papier dat Eric wel eens zag, waren bladzijden uit de Bijbel.

Speelgoed was er evenmin als papier. Maar de jongens hadden niet veel nodig. Van takjes en steentjes en andere rommel die ze vonden, bouwden de kinderen huisjes en forten. Sommige takjes leken met een beetje fantasie op menselijke figuren, De grotere stelden de soldaten van het dappere KNIL voor, de kleinere waren de Japanners. Als de KNIL’ers met de Japanners vochten, dolven die natuurlijk het onderspit.

De jongens zagen al snel dat het niet naar de zin van de Japanners ging


Er klonk geschreeuw, er klonken bevelen. Uit de kamponghuisjes kwamen de vrouwen tevoorschijn. Allemaal liepen ze naar de open ruimte midden in het kamp. Eric en Frank staakten met hun spel en liepen lusteloos achter de groep vrouwen aan. Het was weer eens appel, de tweede keer al vandaag. De Japanners, dat wisten de jongens inmiddels uit ervaring, hielden op de gekste tijden appel, en bij voorkeur op het heetst van de dag. Iedereen was verplicht te komen, alleen de zieken die in het kamphospitaal lagen, mochten daar blijven.

De vrouwen stelden zich in rijen op. Eric en Frank zochten snel hun moeder op en gingen bij haar staan, keurig in de rij. De andere mensen uit hun kamponghuisje stonden vlakbij. Allen keken naar de Japanse kampcommandant, die op een verhoging stond. De Europese vrouwen stonden in de brandende zon, die hun haar nog witter maakte dan het al was, en hun huid donker en tanig.

ko vrienden

Nu begon het eindeloze ritueel. De commandant – Eric en Frank herkenden hem meteen aan zijn uniform – stond te schreeuwen. Wat hij zei, konden ze niet verstaan, maar het was duidelijk dat hij niet tevreden was, want hij ging maar door. De vrouwen, voor hem, hadden natuurlijk ook geen idee, maar zij bleven zwijgzaam en zo stil mogelijk staan. Voor je het wist, deed je iets fout, zo wisten ze uit ervaring.

Na een tijdje hield het geschreeuw op. Nu nam een andere ‘Jap’, blijkbaar wat lager in rang, het over. Net als zijn commandant keek hij woest van onder zijn pet vandaan.

Elk huisje in het kamp had zijn huis-oudste of hanchou. Elk huisje had een nummer en elke bewoner daarvan had een eigen nummer. Als een bepaald huis aan de beurt was, riep de huis-oudste het nummer daarvan, en daarna haar eigen nummer. In het kamp had niemand een naam, alleen een nummer. Vervolgens riepen de vrouwen hun nummer. De moeders onder hen riepen ook de nummers van hun kinderen. Eric herinnert zich de nummers nog. Eén: ichi, twee: ni, drie: san, vier: shi, vijf: go, zes: roku.

De jongens zagen al snel dat het niet naar de zin van de Japanners ging. Of een nummer verkeerd werd afgeroepen of helemaal niet, konden ze er niet uit opmaken, maar er ging steeds iets fout. En steeds opnieuw begon het ritueel, van voren af aan. Een paar duizend mensen die hun nummer moesten afroepen – uren kon het duren in de brandende zon. Eric had al een paar vrouwen om zich heen flauw zien vallen. Zelf voelde hij het zweet over zijn voorhoofd lopen, af en toe prikte het in zijn ogen, met een snelle beweging van zijn hand probeerde hij het zo on- opvallend mogelijk weg te vegen.

Weer ging er iets fout. Woest stapte de ondercommandant de verhoging af en beende tussen de rijen vrouwen door. Hij hield halt bij een van de vrouwen, die probeerde recht en onbewogen voor zich uit te kijken. Zij was hanchou en zij wist wat er ging gebeuren.

De Japanner was klein. En woedend. Eric en Frank hielden hun adem in. Ze hadden een goed zicht op de boze militair en de bange vrouw. Die had geen illusies over wat komen ging. Ze zou slaag krijgen. Deze huis-oudste ging hij met de hand slaan, in het gezicht. Hij had een probleem: hij was een stuk kleiner dan de blanke vrouw. Hij moest een hele sprong omhoog maken om haar te kunnen raken.

Hoe erg hij het ook vond voor de arme vrouw, Eric proestte het uit. Die Japanner stond voor gek en hij besefte dat zelf heel goed. Hij sprong nog een keer omhoog, en nog een keer, de lange sabel aan zijn zijde zwaaide heen en weer. Steeds bozer werd hij. Trillend van woede liep hij ten slotte terug naar het podium. Opnieuw werden de nummers afgeroepen. Eindelijk leken de ‘Jappen’ tevreden en lieten ze de groep afmarcheren.

koknilvdbergVoor de Japanse militairen moet het commando over een vrouwenkamp bepaald geen eervolle taak zijn geweest. Vrouwen waren in hun ogen minderwaardige wezens. Dat de Europese vrouwen langer waren dan zij, was voor hen een extra beproeving – temeer daar zij instinctief aanvoelden dat deze vrouwen niet alleen letterlijk op hen neerkeken. Japanners hadden sowieso een onverholen minachting voor verslagen vijanden. Een Japanse soldaat zal zichzelf immers nooit overgeven. De enige manier voor een verslagen krijger om zijn eer terug te krijgen, is zelfmoord plegen.

Dat wisten Eric en Frank allemaal niet. Ze waren weer gaan spelen. De eindeloze serie appels behoren tot het weinige dat Eric zich herinnert van de Jappenkampen. “Het gebeurde regelmatig dat de Japanners er zelf genoeg van kregen en het appel werd afgebroken. Wat mij vooral is bijgebleven, is dat de Jappen kort aangebonden driftkikkers waren, op het hysterische af. De benaming ‘Jap’ was trouwens voor een Japanner een belediging. Als je erop werd betrapt dat je dat zei, kon je erop rekenen dat je slaag zou krijgen.”

‘Ze hadden niks, maar ze zaten te fantaseren wat ze gingen koken als ze die-en-die ingrediënten hadden’


Voor Roelofje waren de terugkerende appels een onaangename onderbreking van haar dagelijkse werkzaamheden. Ze had toch al een zware taak: ze was ingedeeld in de keukenploeg, die voor het eten moest zorgen.

De vrouwen bestuurden het kamp zelf. Voor het contact met de Japanners werd een kamphoofd aangewezen, maar alle taken en het bestuur werden uitgevoerd door de vrouwen, inclusief het ziekenzaaltje. Dat zaaltje werd steeds voller, want de opbrengst van de grond moest worden verdeeld over een steeds groeiende kampbevolking. Tegen het einde van de oorlog verbleven er wel achtduizend mensen in het kamp. Hoe langer ze in Lampersari zaten, hoe minder eten er was, met ondervoe- ding en allerlei ziekten als gevolg. Als je ziek werd, kwam je naam op een ziekenlijst en die werd aan de Japanners overhandigd.

Het werk op het land was zwaar, maar wie in de keuken werkte, was ook bevoorrecht, want je kon daardoor af en toe wat extra’s pakken. Bovendien was Roelofje jong en sterk, zo rond de dertig jaar. Bij gebrek aan voedsel had de keukenploeg op het laatst steeds minder te doen. Maar de vrouwen gingen door met de heerlijkste gerechten bereiden. In hun hoofd.

Eric: “Wat de vrouwen deden, was lekkere recepten bedenken. Ze hadden niks, maar ze zaten te fantaseren wat ze gingen koken als ze die-en-die ingrediënten hadden.” Een aangenaam tijdverdrijf, al ging de honger er niet van over.

stijfselpap coverStijfselpap en nasi goreng: een familiegeschiedenis, 153 pagina’s. Door Martin Rep. Privéuitgave.

  • Natasja

    Wat een afschuwelijk verhaal. Ongelooflijk dat dit soort gruwelijkheden gebeurde. Mooi dat Eric dit heeft laten opschrijven zodat dit niet vergeten wordt. Ik zou graag het hele boek willen lezen.

    Short URL:
  • Maarten

    Herkenbaar verhaal. Mijn ouders zaten beiden in het jappenkamp, ofschoon net iets ouder, dus ook met net iets meer herinneringen wellicht. Mijn vader heeft zijn verhaal ook opgeschreven, interessant hoe bij hem ook de ' vrijheid' (geen controlerende ouders) en het avontuur is blijven hangen. Hij gaat 5 mei met zijn kleindochter (Linde) naar het bevrijdingsconcert in Amsterdam.

    Short URL:
  • L. van Wensveen

    Mijn oma en moeder, die eveneens in Lampersari zaten, hebben inderdaad ook recepten verzonnen om de honger te verdrijven. Ze dachten dan graag aan rijke ingrediënten, zoals chocola. In de kampkeuken kregen de kinderen soms een voedzaam hapje van de kokkinnen: merg uit soepbotten. De stijfselpap werd 'op smaak gebracht' met een citroenblaadje.

    Short URL:

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0 / 1000 Beperking van tekens
Je tekst moet minder dan 1000 tekens bevatten
Your comments are subject to administrator's moderation.

Copyright © 2015-2017 Martin Rep | Bussum | Contact